Error showing flash-object.
 |
Digitaal zilver
Er is een totaal gebrek aan duidelijkheid en eenduidigheid in statistieken wat het aantal ouderen op het internet en op online sociale netwerken betreft. Dat is vooral te verklaren vanuit de moeizame relatie tussen ouderen en technologie, maar ook tussen marketing en ouderen. Het grootste probleem echter is de rekbare definitie van ‘oudere’: wat of wie is een oudere? Een zestigjarige is een babyboomer voor wie technologie vaak (toch) aantrekkelijk is. Een tachtigjarige is iemand uit het interbellum die het internet niet meer nodig acht, er bevreesd voor is of door neuropsychologische beperkingen niet meer in staat is het te gebruiken. Ook tussen België en Nederland, en tussen Vlaamse en Waalse ouderen zijn er opvallende verschillen. Uitgaande van een handvol studies over het internetgebruik in 2011 bij ouderen in België, kunnen we behoedzaam vermoeden dat van alle (geestelijk gezonde) Belgische 65-plussers vorig jaar zo’n 14% meermaals gebruik maakte van het internet, en 10% van één of meerdere sociale netwerken. Verwacht wordt dat deze aantallen de volgende jaren significant zullen toenemen, niet het minst omdat de eerste babyboomers massaal tot de 65-pluspopulatie zullen gaan behoren.
Aan het begin van deze eeuw hanteerde de Amerikaanse didact en auteur Marc Prensky voor het eerst de begrippen digital natives en digital immigrants. De eerste groep groeide op met het internet, de tweede groep heeft zich de mogelijkheden en gebruiken van het internet stap voor stap, met scha en schande, eigen moeten maken. Als metafoor voor dit onderscheid haalde Prensky het aanleren van een nieuwe taal aan. Wie op volwassen leeftijd een nieuw taal aanleert, gebruikt daarvoor een ander deel van zijn hersenen dan een kind dat met zijn moedertaal in de weer is. Daarom zul je digitale immigranten die de digitale taal leren spreken altijd op hun analoge accent kunnen blijven betrappen. Zo gebruiken ze vaak niet meteen het internet om informatie op te zoeken en neigen ze nog handleidingen te lezen in plaats van de site How Stuff Works te consulteren. Vanzelfsprekend gaan digital immigrants ook anders met sociale media om dan digital natives.
Hoewel in 2010 onderzoek van het Center for Journalism & Communication Research van de universiteit van Texas zich in de eerste plaats richtte op het verband tussen een aantal persoonlijkheidskenmerken en het gebruik van sociale media, kwamen er ook opvallende verschillen tussen digitale inboorlingen en digitale immigranten aan het licht. De studie vond significante wetenschappelijke bewijzen voor drie hypotheses: (1) extraverte mensen zijn vaker op sociale media te vinden dan introverte mensen, (2) emotioneel stabiele mensen maken minder gebruik van digitale sociale netwerken dan meer neurotische persoonlijkheden, en (3) mensen die meer openstaan voor nieuwe ervaringen maken vaker gebruik van sociale media. Het meest intrigerende aan het onderzoek is echter dat de drie hypothesen overtuigend kloppen voor de dertigplussers in de steekproef, maar bij de mindertigers kon enkel voor de eerste hypothese een significant verband gevonden worden. Terwijl er bij de dertigplussers een duidelijk negatief verband was tussen algemene levenstevredenheid en het gebruik van sociale media, was er bij de jongere groep helemaal geen significante correlatie. Anders gesteld: bij de digitale immigranten lopen neurose en vereenzaming enerzijds, en een frequent gebruik van sociale media anderzijds, meer samen. Bij jongeren en jongvolwassenen is daar echter niets van te merken. Sociale media zijn voor mindertigers gewoon business as usual, een essentieel onderdeel van het gewone leven. Digitale immigranten hebben de neiging de digitale wereld als een parallelle en minderwaardige wereld te beschouwen.
Herman Konings
trendwatcher
|
|
|